Prentenboeken moeten helemaal niet biodiverser worden

door | 18 mei 2022 | Kruiend IJs, Wynia's Week

Of prentenboekenmakers voortaan wat minder leeuwen en beren willen afbeelden en wat meer onbekendere dieren van eigen bodem zoals de otter en de pimpelmees. Pleidooi van de Leidse bioloog Michiel Hooykaas. Die Nederlandse beestjes zijn ook leuk en onbekend maakt onbemind.

Goh, ja waarom ook niet? Prima, doen. Of beter, doe het zelf en breng een leuk prentenboek vol otters en pimpelmezen uit.

Volgende onderwerp.

Of nee toch niet. Het klinkt allemaal vrijblijvend, maar ondertussen ligt er een heus onderzoek met talloze voetnoten. Even kijken.

217 bekroonde prentenboeken

Een hele club onderzoekers blijkt niet minder dan 217 prentenboeken te hebben onderzocht, in Nederland gemaakt of uitgebracht. Het selectiecriterium was dat het boek bekroond moest zijn. Dat waren er nogal wat: 217 in tien jaar! Het lijkt me idioot veel en reden om geen prijs aan te nemen, maar daar ging het onderzoek niet over.

Ik ben geen wetenschapper, maar een weetjesschapper. Ik ben dol op weetjes, naakte feiten. Dat een goudvis zeeziek kan worden bijvoorbeeld. Of dat de tweede vrouw van Henri VIII drie borsten had, twaalf vingers en twaalf tenen. Helaas maar één nek en dat brak haar op toen haar echtgenoot haar wilde onthoofden.

Achter de komma

De bevindingen van Hooykaas en de zijnen zijn om van te smullen. In 97,3% (let op de komma) van de prentenboeken speelden één of meer dieren een rol. In cijfers: 2237. In 79,3% was die rol essentieel voor het verhaal. 1538 diertjes waren figurant en gedoemd tot anonimiteit.

Net als bij mensen is het bezit van een ruggengraat een aanbeveling. 85,5% van de afgebeelde dieren zijn gewerveld, wat de wereld op zijn kop is, zo verzucht Hooykaas, want in het echte leven zijn de ongewervelde dieren dik en dik in de meerderheid. Het blijkt nog erger: 43,9% van de vertoonde beestjes is een zoogdier en dat staat helemaal haaks op de realiteit.

Zo’n opsomming kan me niet lang genoeg zijn! 9,8% insecten, 4,0% reptielen, 2,6% dinosaurussen, twee derde heeft buitenlandse roots, een derde woont in ons kikkerland, waarmee ook direct zij verwezen naar een van de best verkopende hoofdrolspelers in onze prentenboekenkast. Heerlijk.

Je vraagt je af waarom serieuze onderzoekers met zo’n futiel onderwerp bezig gaan.

Ik weet niet beter dan dat de universitaire wereld een hel is. Een – woordspeling – ratrace van onderbetaalde flexkrachten die voor de vaste staf slavenarbeid (onderwijs) moeten verrichten en aan eigen onderzoek niet toekomen, te meer omdat al hun onderzoeksprojecten worden afgewezen.

Los van de cijfers en percentages die dit prentenboekenonderzoek opleveren, valt er weinig te lezen dat de gemiddelde vader, moeder, onderwijzer en bibliothecaris, ja zelfs kind niet weet. De tekeningen zijn prototypisch, onrealistisch en vol ‘fouten’. En dieren kunnen niet praten, dragen geen bril of jas en vieren al helemaal elkaars verjaardag niet.

What’s new?

Niets inderdaad, maar voor Michiel Hooykaas wel een onwenselijke situatie. De biodiversiteit in de wereld neemt af en wil je dat tegengaan, dan moet de mens zich van het belang van die biodiversiteit bewust zijn. Vooral in het Westen is er nog maar beperkte kennis van dieren.

De kloof tussen mens en dier wordt groter, vooral in verstedelijkte omgevingen zoals het volgebouwde Nederland. Daar zijn los van wat huisdieren en vogels de vaderlandse dieren uit het zicht verdwenen en ‘zien’ de mensen eigenlijk alleen exotische dieren, op films en in boeken welteverstaan. Minder kennis, minder ervaring, minder inlevingsvermogen, zeg maar dag met je handje tegen de lokale biodiversiteit.

Kleuters ‘bewust maken’

En dan steekt in Hooykaas de ideoloog de kop op. We moeten kinderen van jongs af aan bewust maken van de dierenrijkdom in ons land. Prentenboeken! Kloppen die wel?

Nee, die kloppen niet, aldus de onderzoeker. Die geven een volkomen scheef beeld van de werkelijkheid en vullen de kinderen met vooroordelen over dieren. Alsof onze bloedeigen naamloze wormpjes en mugjes minder belangrijk zijn dan leeuwen en beren. Alsof er maar één soort vogel is, de zwarte merel die trouwens een bruine kleur heeft. En zo verder.

Ik heb ook een vooroordeel. Dat richt zich op mensen die hun overtuiging in kinderzielen willen gieten om te zorgen dat de toekomst eruit ziet zoals zij wensen.

Prentenboeken worden aan kleine kinderen voorgelezen en er worden verhaaltjes bij verzonnen, door ouders en onderwijzers. In het ene gezin meer dan in het andere, op de ene school meer dan op de andere, maar eigenlijk altijd wel en met grote regelmaat. Tot kinderen te groot worden en andere interesses en behoeftes krijgen.

Gezellig voorlezen

Er is vrij goed bekend wat onderwijzers beweegt om voor te lezen. Met stip bovenaan staat taal: woordenschat, taalontwikkeling en leesbevordering. De kinderen steken er wat van op en het is ‘beregezellig’.

Thuis zal het vooral gaan om de intimiteit en de vertrouwde routine en natuurlijk ook om het stimuleren van de ontwikkeling van het kind.

De plot vraagt van tekenaar noch schrijver grote fantasie. Er gaat iets mis en het komt weer goed. Des te meer ruimte is er voor hilariteit om dat domme biggetje en liefde voor dat zielige eendje. Zachtmoedige conventies die luisteraartjes en vertellers verbinden.

Het prentenboek is geen ideologisch breekijzer. Voor je het weet zitten we opgescheept met sensitivity readers en quota lokale stekelbaarsjes.

Hou ’s op.

Paul Verburgt