Nederland is van de ‘haves’

door | 18 juni 2022 | Kruiend IJs, Wynia's Week

Tot tweemaal toe werd Kim Putters (PvdA) als directeur van het Sociaal Cultureel Planbureau uitgeroepen tot invloedrijkste Nederlander. In 2019 en in 2020.

Toch constateerde hij in een recent afscheidsinterview dat zijn invloed niet veel voorstelde. Het kabinet reageerde doorgaans niet of pas laat op zijn adviezen en de Tweede Kamer nooit.

Niet anders is het met icoon Herman Tjeenk Willink (ook PvdA) die al vanaf begin jaren tachtig politiek Den Haag confronteert met houtsnijdende studies over haar functioneren. ‘Het klinkt u misschien wonderlijk in de oren’, zei hij kortgeleden, ‘maar er heeft over die analyses en beschouwingen nooit een politiek inhoudelijk debat plaatsgevonden.’

Net als Putters is Tjeenk Willink te chic om in jammerklachten uit te barsten, maar hun boodschap is duidelijk: de heersende politieke klasse leeft in een eigen wereld en heeft de samenleving verwaarloosd en van zich vervreemd. En het wordt niet minder, maar erger.

Haves, havenots, have-a-bits

Putters wijst al jaren op de kansenongelijkheid in ons land. Die ongelijkheid manifesteert zich in vrijwel alle facetten van het leven van mensen: gezondheid, levensduur, wonen, opleiding, werk, sociale context, mobiliteit en autonomie, ja zelfs taal, eten & drinken en vrijetijdsbesteding.

De verschillen zijn allengs scherper geworden en hebben geresulteerd in een vrijwel gesegregeerde samenleving waarin de ene groep, de haves, zich de winnaar weet en de ander, de havenots, de verliezer. Tussen hen in spartelt een even grote groep die omhoog wil, maar de zuigkracht naar beneden nauwelijks nog kan weerstaan. Noem ze de have-a-bits.

Geen fijne boodschap voor de Haagse politici, want deze heeft ze niet overvallen als een onweersbui na een zonnige dag op het strand. Ze is in hoge mate het resultaat van eigen handelen.

Uitvoeringsblindheid

Dat geldt ook voor de kritiek die Tjeenk Willink met eentonige regelmaat heeft geuit.

Politici, omvat door een ijzeren ring van roulerende topambtenaren, lobbyisten en belangenorganisaties, produceren dag na dag beleid, maar de uitvoering en de uitvoerbaarheid interesseert ze nauwelijks, mede omdat ze zich geen voorstelling willen of kunnen maken van de burgers die met hun beleid te maken krijgen.

Uitvoeringsonbekwaamheid noemt hij dat.

Als er weer eens wat mis gaat, kunnen u en ik de reactie van de beleidsmakers met wiskundige precisie voorspellen: 1) ontkennen 2) het probleem tot incident verklaren 3) de burgers beschuldigen van misbruik 4) de uitvoeringsorganisatie incompetentie of naïviteit verwijten en 5) besluiten dat er nieuw beleid moet worden gemaakt.

Waarna de cyclus zich herhaalt. De overheid als blinde ezel.

Uitvoeringsblindheid is eigenlijk een beter woord.

Zouden Putters en Tjeenk Willink nu zonderlingen zijn met extravagante opinies, dan kun je je voorstellen dat politici de andere kant op kijken. Het tegendeel is waar, beide heren zijn Haagser dan Haags en wat zij zeggen wordt door velen onderschreven en is inmiddels met talloze studies en data onderbouwd.

Ook door de Tweede Kamer die een eigen commissie een onderzoek liet doen naar een aantal uitvoeringsorganisaties. In het eindrapport Klem tussen balie en beleid (februari 2021) wordt een onthutsend beeld geschetst, terwijl de commissie nog niet eens erg diep had gegraven. Het duurde overigens meer dan een jaar voor de Kamer er een (eenmalig) debat aan wijdde. De voormalige voorzitter André Bosman, die door zijn partij op een onverkiesbare plek was gezet, mocht vanuit de loge toekijken.

En dan was er nog het ‘ongekend onrecht’ van de kinderopvangtoeslagenaffaire dat de Kamer pas na eindeloos aandringen en pushen van parlementariërs als Pieter Omtzigt en Renske Leijten aan een onderzoek onderwierp. Het leidde tot het aftreden van het Rutte III dat inmiddels als Rutte IV gewoon weer is herrezen.

Niet hapklaar

Het moet gezegd, de oplossingen die Putters en Tjeenk Willink in de loop van de jaren hebben aangereikt, waren meestal weinig concreet. Dat is niet handig, want wie zo goed thuis is in Haagse kringen, weet dat adviezen daar alleen worden opgevolgd als er hapklare maatregelen bij worden geleverd.

Als je jaar op jaar wordt genegeerd, sla je of met de vuist op tafel of met de deur.

Dat paste deze nette heren kennelijk niet, maar het past de politiek evenmin om de oren dicht te stoppen.

Te meer omdat er wel wat aan de hand is.

De haves hebben de overheid niet zo nodig

De ongelijkheid van Putters en de uitvoeringsonbekwaamheid van Tjeenk Willink staan niet naast elkaar, maar vloeien samen in de zachte onderbuik van de samenleving. Daar waar de zwaksten zitten die het meest zijn aangewezen op overheidsbeleid en die met de gevolgen van dat ontoereikende beleid worden geconfronteerd.

Vaak gaat het om mensen die vanwege een meervoudige problematiek (ziekte, schulden en werkloosheid bijvoorbeeld) een meervoudig beroep doen op de overheid. Hoe complexer het probleem, hoe meer ‘overheden’ zich met de betreffende burger bezig gaan houden. Voor elk probleem gelden eigen regels die bij elkaar opgeteld elkaar weer kunnen uitsluiten of overlappen.

Het voldoen aan alle vereisten is een dagtaak en vraagt een concentratie en (digitale) vaardigheid die deze kwetsbare mensen vaak niet (meer) in huis hebben. Vormfouten zijn dan snel gemaakt en dan weet de overheid je te vinden.

Ruimte voor maatwerk is in de regelgeving nauwelijks aanwezig. Dat levert rechtsonzekerheid en ongelijke behandeling op, zo is de redenering, en dat maakt de overheid kwetsbaar.

Dat de mechanistische regeltoepassing die uit deze zienswijze voortvloeit, mensen als het ware uitlokt om calculerend en zelfs fabulerend met de overheid om te gaan, kun je op je vingers natellen. Maar de overheid ziet het als misbruik en dus als een reden om de teugels verder aan te halen. Hoe perverterend dat uitwerkt in de geestesgesteldheid van uitvoerende ambtenaren, heeft de belastingdienst wel laten zien in de kinderopvangtoeslagaffaire.

De uitkomst van dit al is dat de zwakken steeds zwakker worden en dat de ongelijkheidskloof dieper wordt. Ook in termen van politieke weerbaarheid.

De zwakken keren zich af van de politiek, waar ze juist de politiek in zouden moeten gaan om de bakens te verzetten. Ze hebben er de energie niet voor en ze missen ook het vertrouwen dat het zou helpen. Bovendien, de politiek gaat niet over hun wereld, de politici spreken niet hun taal.

De politiek wordt gedomineerd door een politieke klasse, de haves, die – omdat ze er zelf zo warmpjes bij zit – alle tijd heeft om zich te bekommeren om weidse idealen als klimaat en energietransitie, zaken die wel heel ver afstaan, zo niet negatief uitwerken op de dagelijkse beslommeringen van Jan met de pet en Fatima met de hoofddoek.

Jan en Fatima zijn voor de haves abstracties, behalve als de tuin moet worden gedaan of het huis gepoetst.

De overheid als bedrijf

Dat komt ervan, als je Nederland als een bedrijf wil runnen, zeggen Putters en Tjeenk Willink.

De BV Nederland. Nederland niet als leefgemeenschap, maar als bedrijf, met een overheid als efficiënte bedrijfsleider, de burgers als zelfbewuste klanten en de onderlinge relatie bepaald door wetten van de markt.

Het idee heeft ergens in de jaren tachtig postgevat toen Lubbers de uit de hand gelopen overheidsuitgaven moest saneren.

Economen en managers deden hun intrede, herinnerde Tjeenk Willink zich huiverend, maar dat is toch beetje een vertekening van het verleden. Mijn herinnering is juist dat in die tijd economen nog niet met een stok naar de overheid waren te slaan. In tegenstelling tot bestuurskundigen, sociologen en politicologen die in ontelbare aantallen de departementen binnenstroomden om de wereld naar hun evenbeeld te herscheppen.

Bovendien, als de overheid ergens een patent op had, dan was het wel op managers. Zij heetten toen nog chef of hoofd, maar ze waren er in ongekende hoeveelheden. Ook bij overheidsbedrijven. Zeven managementlagen of meer tussen een districtsdirecteur en de werkvloer was bij de PTT doodnormaal, met de aantekening dat op elke laag niet minder dan drie leidinggevenden zaten, een chef, een plaatsvervanger en een eerste medewerker.

Ooit was die zakelijkheid nuttig

De verzakelijking van het overheidsmanagement was geen overbodige luxe. De uitgaven waren welhaast onbeheersbaar en de maakbaarheidsdromerijen ook. Dat in die sfeer slogans werden bedacht als de BV Nederland is te billijken.

Bedenkelijker wordt het, desastreus eigenlijk, als politici doorschieten en zo’n bedrijfsmetafoor oppoetsen tot een soort besturingsfilosofie waarin rationaliteit en zelfredzaamheid klassieke waarden als bescherming en verheffing vervangen. Waarin inspraak geen democratische beïnvloeding is, maar een methode van de overheid om haar zin te krijgen.

En waarin politieke strijd verstorend wordt geacht voor het doelmatige functioneren van de overheid. Dat is voor mij de crux. De BV Nederland-filosofie maakte van ons land geen bedrijf, maar depolitiseerde overheid en overheidsbeleid.

Het gaat hier niet om het depolitiseren dat medio vorige eeuw usance was waarbij de elites van de brede volkspartijen hun onderlinge tegenstellingen van hun politieke lading ontdeden (pacificeerden) en al gevend en nemend tot een samenleving kwamen waarin zorg voor de onderste bevolkingslagen een van de leidende principes was.

Het gaat nu om next level depolitisering, waarin belangenstrijd heeft plaatsgemaakt voor de hegemonie van de belangen van een hoogopgeleide klasse die de touwtjes van de maatschappij in handen heeft. Binnen die heersende klasse wordt nog wel gebakkeleid over accenten en details, maar dat zijn uiteindelijk sierlijkheden: over de hoofdlijnen zijn ze het roerend eens.

Het transitieproces heeft zich langzaam voltrokken. De zogeheten pacificatiemaatschappij waarin brede volkspartijen de macht deelden, werd allengs ingeruild voor een samenleving waarin ongelijkheid niet werd gematigd, maar onbekommerd werd gepraktiseerd.

De elites, die door welvaart en de brede toegankelijkheid van het hoger onderwijs enorm groeiden, gingen erop vooruit, niet in het minst omdat ze al dan niet zelf bedachte invloedrijke banen wisten te bemachtigen.

Dat lag wel anders bij de gewone man. Kon die rekenen op bescherming en zelfs verheffing binnen zijn zuil, in de ontzuilende samenleving werd dat afgedaan als bevoogding en werd de arbeider opgeroepen zich te vermannen en als klant voor zichzelf te zorgen.

In feite – en dat kon iedereen aanvoelen – was dat geen oproep, maar een verstoting. Het was het begin van de drievoudige cesuur die Nederland nu verdeelt, de succesvolle en langlevende bovenlaag van de haves, de onsuccesvolle en kortlevende onderlaag van de havenots en een fluïde tussenlaag van stijgers en dalers, de have-a-bits.

Rechte sloten

Dit proces bleek onomkeerbaar, wat wellicht het beste te begrijpen valt als je naar het Mondriaanse patroon van ons land kijkt. Rechte smalle sloten die haaks worden gekruist door even rechte en smalle sloten. Wie eenmaal in zo’n sloot vaart, gaat rechtdoor. Alleen als het moet, als het echt niet anders kan, sla je af. Maar omdat het zoveel moeite kost, varen we liever door.

Het ongemak van de kapitein en bemanning op het Schip van Staat dat maar rechtdoor vaart, is zichtbaar. We worden niet geleid door boeven. Maar de sloot wordt wel steeds modderiger en op de kant staan steeds meer mensen te roepen dat het verderop zo ondiep is dat je vastloopt. En daar stonden mensen tussen als Putters of Tjeenk Willink.

Wie dan niet luistert en zelfs de motor een tandje harder laat draaien, is schuldig.

En dat is wat er gebeurt.

Kijk naar het huidige kabinet. Het zet alles opzij voor de onderwerpen die de haves belangrijk vinden: klimaat, energietransitie, stikstof, Europa, migratie, diversiteit, ja zelfs eiwittransitie (zelf opzoeken).

Gigantische fondsen voor klimaat- en stikstofcrisis, enorme investeringen in windparken op zee, voortgaande subsidiëring van bestaande biomassa-ovens, pleidooien voor steeds hogere klimaatdoelen in Brussel, 1 op de 8 sociale huurwoningen verplicht naar statushouders, de verplichte hybride warmtepomp, massale onteigening van veeboeren, opgeven van het vetorecht in Brussel, verplichte opvang van asielzoekers door gemeentes, ga zo maar door.

Omdat het moet

Bewindslieden doen nauwelijks nog een poging om met argumenten te komen. ‘Omdat het moet’ was het gevleugelde antwoord van Hugo de Jonge op de vraag waarom 1 op de 8 sociale huurwoningen naar statushouders moeten. Hij is ook de man die het woord verplichting omtoverde tot ‘normering’.

Draagvlak in de samenleving is kennelijk niet meer belangrijk. In die onthechtte sfeer kan het maar zo gebeuren dat de minister van Sociale Zaken oppert om werkloze jongeren uit de ellendige en criminele Parijsebanlieu naar Nederland te halen om vacatures te vullen in onze horeca of tuinbouw. Alsof hier niet 1 miljoen mensen aan de kant staan of meer uren willen werken.

Gewone mensen? Corvee!

Het oplossen van de dagelijkse problemen van de gemiddelde Nederlander vindt het kabinet maar vervelend, een soort corvee.

Natuurlijk, het coalitieakkoord zegt allerlei hoogdravends over de zwakkeren, de ouderen, de werklozen, de mensen met de smalle beurs, kansen hier en ongelijkheid daar. Maar als puntje bij paaltje komt, is het kabinet er niet.

Uitgaven die het moet doen vanwege gerechtelijke uitspraken (box 3), druk uit de Kamer (verhoging AOW, afschaffing leenstelsel) of dreigende energiearmoede, worden zo minimaal mogelijk geïnterpreteerd en bij voorkeur betaald met sigaren uit eigen doos (bevriezing ouderenkorting en verhoging collegegeld).

De inflatie wordt goeddeels gezien als een natuurverschijnsel en voor plannen om het koopkrachtverlies te dempen, moeten we maar wachten tot september.

De havenots en zelfs de have-a-bits zijn de andere kant van de voedselketen.

Nederland is van de haves.

Ondertussen wordt Kim Putters de nieuwe voorzitter van de SER. Acht jaar lang luistert de politiek niet naar je en dan doe je dit. Als hij te zijner tijd vertrekt, lees ik zijn afscheidsinterview niet.

Paul Verburgt