Mogen we het Wilhelmus nog wel zingen?
Begin je er net aan te wennen om Zwart met een hoofdletter te schrijven en het woord slaaf te vermijden, doemt er weer een nieuwe ethische kwestie op: mogen we het Wilhelmus nog wel zingen? Veel publiciteit was er tot op heden nog niet, maar het potje staat op het vuur.
Kun je nog zingen, zing dan mee
De morele aanvaardbaarheid van het Wilhelmus is een issue geworden sinds ze in Veere hebben ontdekt dat hun beroemdste stadsgenoot ‘rechtstreeks betrokken was bij de slavenhandel’. We hebben het over Adriaen Valerius, dichter, notaris en schepen, geboren ergens rond 1570 en overleden in 1625.
Dat we zijn dichterschap vóór zijn maatschappelijke functies noemen, komt door de bekendheid van zijn liedboek Nederlandtsche Gedenck-clanck dat een jaar na zijn dood door zijn zoon is gepubliceerd. Pathetische, religieuze en vaderlandslievende gezangen waarvan een aantal de eeuwen heeft overleefd, mede omdat ze werden opgenomen in de bestseller Kun je nog zingen, zing dan mee die in 1906 op de markt kwam en het er 80 jaar volhield.
Merck toch hoe sterck
Uw auteur ziet zichzelf nog als jongetje staan bij de piano thuis, vals, maar tekstueel foutloos Valerius vertolkend: Merck toch hoe sterck en Wilt heden nu treden voor God den Heere naast liedjes van meer profane poëten als In ’t groene dal, in ’t stille dal en Hannes loopt op klompen (zimpe, zampe, zompe).
Van vreemde smetten vrij
Onsterfelijkheid bereikte Valerius met het Wilhelmus. Daarvoor moest hij overigens tot 1932 wachten. Totdien hieven wij het volkslied aan, geschreven door de dichter Hendrik Tollens en op muziek gezet door Wilhelm Wilms, maar daar wilde koningin Wilhelmina vanaf. De openingszinnen Wien Neerlandsch bloed door d’aderen vloeit, van vreemde smetten vrij waren bij socialisten en katholieken nogal omstreden en daarom zongen ze niet mee.
Vooruitlopend op het slot van deze column: mocht een boycot van het Wilhelmus er niet in zitten, troost u dan met de gedachte dat het nog veel erger had kunnen zijn.
Handtekening
Behalve zijn liederen is van Valerius alleen zijn handtekening overgebleven. En om die handtekening gaat het. Die blijkt te staan onder de oprichtingsakte annex eerste begroting van de zogeheten Zeeuwse Kamer van de West-Indische Compagnie (1624).
Samen met twee andere prominenten uit Veere legde Valerius het formidabele bedrag van 300.000 Carolische guldens op tafel, investeringsgeld waarmee de Zeeuwse Kamer van start kon. Precies een jaar later overleed Valerius.
Heeft hij zich in dat jaar schuldig gemaakt aan slavenhandel waardoor het Wilhelmus als het ware met bloed is geschreven, bloed van swarten?
Onderzoek en excuses
Er is de laatste jaren veel tijd onderzoek gedaan naar het slavernijverleden van steden in ons land. Zowel de handel in slaven als de exploitatie van slaven, vanuit Nederland en door Nederlanders. Amsterdam, Rotterdam, Delft, Middelburg, Enkhuizen en zo meer. Het leidde in bestuurskringen vaak tot gêne en publieke excuses, ook al leefde het niet erg bij de bevolking.
Ook Veere besloot tot zo’n onderzoek. Veel was al bekend uit research dat Zeeland meer in den brede besloeg, maar men wilde toch meer details kennen (ook een kenmerk van hedendaags moralisme: van schuld heb je nooit genoeg). Slavernij-deskundige Dienke Hondius van de VU kreeg de opdracht die ze eind vorig jaar afsloot.
Ongemak
Het rapport beschrijft dat Veere zeer actief in de West-Indische Compagnie (WIC) is geweest en aantoonbaar betrokken bij de slavenhandel ook buiten de compagnie om. Het bevat tal van details, zoals een fascinerend overzicht van slavenreizen, met de namen van de kapiteins erbij.
Ik zal de laatste zijn om de door Hondius opgevoerde feiten te ontkennen, maar een zeker ongemak heb ik ook.
Cijfers
Wat in dit soort spotlight-onderzoeken onvermijdelijk gebeurt, is dat de schijnwerper één aspect sterk belicht en andere in de duisternis houdt. Je kan de slavenschepen tellen en de sterftepercentages noemen, maar huiveringwekkende absolute getallen zeggen niets over de omvang van de slavenhandel vanuit Veere in relatie tot de trans-Atlantische slavenhandel in het algemeen. Ook is er geen zicht op het relatieve aandeel van de slavenhandel in de economie van Veere.
Feit is wel dat de business weinig profijtelijk was: er werd vaker verlies geleden dan winst gemaakt. Dat geldt trouwens voor heel Nederland, reden – inderdaad nogal pragmatisch – dat de slavenhandel nooit erg omvangrijk werd. De WIC verhandelde in 200 jaar ongeveer 600.000 slaven. Dat is veel, maar al met al net 5% van het totaal van de trans-Atlantische slavenhandel.
Gods plan
Ook de maatschappelijke context is in het onderzoek afwezig. In het begin was er wel discussie over de religieuze aanvaardbaarheid van slavenhandel en slavernij, maar die vervaagde. Het leidde tot redenaties waar je tegenwoordig van schrikt, maar die toen normaal werden bevonden.
Slavernij ín Nederland werd strijdig met de Bijbel bevonden, al waren er grote groepen van de bevolking die in economische en persoonlijke omstandigheden leefden die weinig van slavernij verschilden. Het werd daarentegen wel overeenkomstig Gods plan geacht om mensen in andere werelddelen en met andere huidskleur te verhandelen en in bezit te hebben.
Juiste standpunten
Nu hebben we daarover met grote overtuiging de ‘juiste’ standpunten, maar met dezelfde overtuiging had men toen andere juiste standpunten.
Deze opmerkingen dienen niet om de slavenhandel en slavernij te bagatelliseren, maar om de geschiedenis en de toenmalige bewoners van Veere recht te doen, zoals ik hoop dat over enkele eeuwen mensen ons ook met nuance en begrip zullen beoordelen. Dat zal ze nog heel wat moeite kosten, zeg ik zonder knipoog.
Eén jaar
Het rapport van Hondius schenkt nogal wat aandacht aan Valerius, misschien ook omdat hij de enige echte, nationale beroemdheid is die Veere heeft voortgebracht. Maar is dit wel terecht? Valerius was een zeer vermogend mens, een orangist en een ‘nationalist’, maar een slavenhandelaar?
Valerius heeft zegge en schrijven één jaar geparticipeerd in de Zeeuwse Kamer van de WIC. Hij stortte zijn geld in januari 1624 en precies een jaar later was hij dood. Hij en zijn mede-investeerders zullen het druk gehad hebben met het opstarten van hun onderneming en wellicht ook hebben zij een paar schepen gereed, maar nergens is een concrete opdracht van Valerius gevonden om in Afrika slaven te gaan halen.
Dat was ook niet erg waarschijnlijk, omdat de WIC pas in 1627, zes jaar na de dood van Valerius, formeel in de slavenhandel ging. Een breuk overigens met het verleden: in de oprichtingsakte van 1621 was mensenhandel namelijk expliciet uitgesloten.
Indirect
De verklaring is dat veel handel van de WIC als het ware indirect dienstbaar was aan de slavenhandel. Als je bijvoorbeeld materialen vervoert die voor plantage kunnen worden gebruikt, kan je van medeplichtigheid worden beticht en dat doen slavernij-historici nog wel eens.
Deze brede interpretatie mag voor wetenschappelijk onderzoek aanvaardbaar zijn, als je iemand persoonlijk beschuldigt van ‘rechtstreeks betrokkenheid bij de slavenhandel’, dan moet je met harde feiten komen.
Frans soldatenliedje
Is dit al dunne soep, helemaal doorzichtig wordt ie als we kijken naar het Wilhelmus. We gunnen Valerius natuurlijk eeuwige roem, maar de melodie van het Wilhelmus is niet van zijn hand. Het was een bekend Frans soldatenliedje uit het midden van de 16e eeuw, aanzienlijk vrolijker en meer uptempo dan het reformatorische gegalm waarmee we vandaag de nationale hymne zingen.
Marnix van Sint-Aldegonde
Ook de tekst is niet van Valerius. De auteur is onbekend al worden namen genoemd, beiden Vlamingen, Filips van Marnix, heer van Sint-Aldegonde en Pieter Datheen, lang geleden opgegaan in de mist van de tijd.
Het werd rond 1570 geschreven, bij de start van de opstand tegen Philips de Tweede. Rond het geboortejaar van Valerius dus.
Geen slavenhandel, geen Wilhelmus
Valerius was dus dichter noch componist van het Wilhelmus. Hij sleutelde wat aan de tekst en paste om die reden ook wat details in de muziek aan. En wellicht ‘redde’ hij, althans zijn zoon, het werkstuk door het op te nemen in de Gedenck-clanck.
Veel meer is het niet. Geen slavenhandel en geen Wilhelmus. Eigenlijk alleen een handtekening, een zak guldens en wat geknutsel aan het latere volkslied.
Ophef in de maak
Dunne soep zoals gezegd, maar toch een lekker hapje. Mevrouw Hondius liet optekenen ‘volslagen verrast te zijn’, meldde verder dat Valerius ‘fan was geweest van koloniale activiteiten’ en de veroveringen van de WIC had ‘bejubeld’ om te concluderen dat hij ‘minder onschuldig’ was dan voorheen. Het Nederlands Dagblad blies het vuurtje nog wat aan met een hitsige kop ‘weer wankelt een volksheld op zijn sokkel’ en concludeerde dat Valerius ‘een dikke vinger in de pap van de slavenhandel had’.
Het is een kwestie van tijd dat de usual suspects er een smakelijke ophef van gaan maken, activisten, deskundigen, orangisten, republikeinen, politici, media en het ‘commentariaat’. Vermoeiend en onterecht.
Zullen we Veere zijn enige beroemdheid gunnen en onszelf gezanik over de aanvaardbaarheid van het Wilhelmus besparen?
Paul Verburgt